C.G. Jung Vereniging Nederland - Interdisciplinaire Ver. voor Analytische Psychologie

Zwitserland

Manfred Albersen: 

Inleiding op en impressies van de Jungreis 2018 

in het kader van het zevende lustrum van onze C.G. Jung Vereniging Nederland (I.V.A.P.)

 

Leben Sie Ihr Leben, so gut Sie können,

selbst wenn es auf einem Fehler beruht,

denn das Leben muss gelebt werden,

und oft gelangt man nur durch Fehler zur Wahrheit…

Also, seien Sie menschlich, bemühen Sie sich zu verstehen,

bemühen Sie sich um Einsicht,

machen Sie Ihre Hypothese, Ihre Philosophie des Lebens.

Dann können wir den Geist erkennen,

der im Unbewussten eines jeden einzelnen Menschen lebendig ist.

(C.G. Jung, New York 1937)

 

Aldus werd Jung door onze voorzitter Henk Masselink geciteerd als adagium voor het programma van deze bijzondere groepsreis in de voetsporen van Jung die door 20 leden van onze vereniging in oktober 2018 werd gemaakt. Het programma van de reis met de vele inspirerende bezoeken werd door Henk georganiseerd, die door het aantrekken van inleiders met een directe relatie tot het verleden de hele reis een enorme meerwaarde heeft verleend. De aftrap en het kennismaken met elkaar vond plaats op 30 september in hotel Oud London te Zeist, daar ook spraken we het programma door en natuurlijk een aantal noodzakelijke logistieke en financiële zaken. We reisden allen op eigen gelegenheid in de periode van zondag 21 tot en met zondag 28 oktober. We gingen ontspannen en geanimeerd met elkaar om; gezelligheid (af en toe een  Bourgondisch samenzijn), wetenschappelijke belangstelling voor en interesse in de mens Jung wisselden elkaar af. Het weer werkte mee! De hele week prachtig nazomer weer en zaterdag koud en nat, dit bleek de goede volgorde te zijn waarover later meer.

 

De reis begon in Ascona aan het Lago Maggiore en eindigde in Meilen aan het meer van Zürich. De meesten van ons overnachtten in een comfortabel hotel met uitzicht op het meer, een drietal maakten gebruik van airb&b en we hadden een sportieve kampeerder in ons midden. Maandag was iedereen present op de plaats van bestemming, hebben we gezamenlijk gedineerd en de eerste bezoekdag besproken.

 

Dinsdag reisden we per taxibus, het was slechts ca 2 kilometer van ons hotel maar de weg er naar toe was te gevaarlijk om te lopen. Ons eerste doel was een bezoek casa Eranos en casa Gabriella, waar we een rondleiding kregen van de locatiemanager Gisela Binda. Zie voor een impressie de bijdrage van Eduard Heyning getiteld: Der verborgene geist von Eranos. Vervolgens werden we met de taxibus gebracht naar de bekende Monte Verità, de berg van de waarheid. We werden er rondgeleid door de gids Silke Bolema die ons uit de doeken deed hoe begin 1900 hier pré-hippies hun eigen wereld van vrijheid en bezinning creëerden. Het bijbehorende museum de casa Anatta gaf ons nog veel extra’s voor begrip over deze periode op die plek. Zie voor een impressie de bijdrage van Eefke van de Drift en Arno Roelofs getiteld: Monte Verità-Ascona’s Mountain of Truth.

 

Tekort was ons verblijf in het prachtige Ascona, woensdag werd een reisdag naar Meilen waar we ’s avonds werden verwacht voor een gezamenlijk diner. De reis voerde langs Tellsprung dan wel Tellsplatte aan het Vierwoudstedenmeer. Een plek waar de legendarische volksheld Wilhelm Tell begin 14e eeuw furore maakte en ondermeer bekend werd omdat hij als recalcitrante kruisboogschutter door de landvoogd gedwongen werd om van grote afstand een appel van het hoofd van zijn zoon  af te schieten. Hier bevind zich ook aan de voet van de berg de Tellskapelle met daarin vier fresco’s gebaseerd op de Tell’s sage van Ernst Stuckelberg. Bovenop de berg staat een bijzonder klokkenspel geschonken door Zwitserse chocoladefabrikanten, dat ieder uur voor 10 minuten in bedrijf is. De melodie kan door iedereen worden aangegeven met een druk op een van de keuzeknoppen. Johan, Mea en Hugo hebben zich hier echt op uitgeleefd. Toen door naar Einsiedeln waar velen  natuurlijk weer een stop maakten om de beroemde en imposante Abdij de Maria Einsiedeln met een zwarte Madonna uit de 15e eeuw in de Genadekapel te bezoeken.

 

Voor de Benedictijner Abdij buiten op de Marienplatz staat een bijzonder prieel met een verguld beeld van Maria uit 1747 met daar rondom heen kranen waar water uitstroomt. Het verhaal gaat dat pelgrims zich daaraan eerst moesten opfrissen en hun dorst lessen alvorens de Abdij met de kapel te mogen betreden om zegen te vragen voor hun pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Ook wij hebben dat dus gedaan. Vervolgens reden wij door naar Meilen, waarbij wij met de pont over het meer van Zürich het laatste stukje van de reis aflegden. ’s Avonds weer gezamenlijk dineren en het tweede deel van ons programma bespreken.

 

Donderdag in alle vroegte brachten wij een bezoek aan de Psychologische Klub in Zürich, waar wij een boeiend college kregen van de directeur prof Andreas Schweizer. Zijn recente boek uit 2017 Bausteine; Reflexionen zur Psychologie von C.G.Jung  werd door menigeen aangeschaft. Zie voor een impressie de uitgebreide bijdrage van Johan van den Bos getiteld: Bezoek aan de Psychologischer Klub.

 

Daarna door naar het geboortehuis van Jung, tegenwoordig het Jung Museum of C.G.Jung Haus in Küssnacht, waar we werden rondgeleid door Susanne Eggenberger een achterkleindochter van Jung. Zie voor een impressie de bijdrage van Hugo Vlug getiteld: Bezoek Haus CG Jung te Küssnacht. Toch nog wat tijd over om naar de Friedhof  in Küssnacht te gaan. Susanne had ons een beetje uitgelegd waar we het familiegraf van Jung konden vinden, door de poort van de begraafplaats naar binnen en meteen rechtsaf langs de muur lopen totdat… en jawel hoor na er twee keer voorbij te zijn gelopen vonden we de grafsteen. Niet echt imposant, wel ook hier gelabeld met de door Jung gebruikte spreuk van het orakel van Delphi: VOCATUS ATQUE NON VOCATUS DEUS ADERIT (aangeroepen en niet aangeroepen, God zal aanwezig zijn). Carl Gustav ligt daar begraven met een paar van zijn kinderen en zijn vrouw Emma. Naar Joodse traditie hebben mensen als eerbetoon aan de overledene steentjes gelegd op en rond de grafsteen, omdat de onvergankelijkheid van stenen immers ook staat voor altijd durend respect en herinnert aan de verbondenheid met de dode. Gezocht en gevonden is ook het graf van Marie-Louise von Franz die tezamen met  Barbara Hannah een laatste rustplaats deelt, zoals ze ook jarenlang hun leven deelden.

 

Vrijdagmorgen in alle vroegte naar de Burghölzli Psychiatrischen Universitätsklinik in Zürich, waar Klinik directeur professor Paul Hoff ons aller hartelijks ontvangt. Hij vertelt onderhoudend over de geschiedenis van de instelling en de periode die Jung daar heeft doorgebracht vanaf 1900 tot zijn ontslag op eigen verzoek om wetenschappelijke redenen  in 1909. Hoewel Paul Hoff in een tijdsklem zat omdat hij een voordracht zou geven op een symposium direct na ons vertrek (op uitnodiging bijgewoond door Evert Mouw en Anne-Marie van der Tuin), gaf hij ons alle tijd en aandacht tijdens de rondleiding door de kliniek. Ook in het heilige der heiligen, de kelder waar zich boeken, oude gebruiksvoorwerpen, archiefmateriaal, foto’s en het bureau van Manfred Bleuler bevond. We mochten daar vrij rondsnuffelen en, zoals de hele rondleiding het geval was, gaf Paul Hoff  geanimeerd en energiek uitleg en beantwoordde vragen. Zie voor een impressie de bijdrage van Anne-Marie van der Tuin getiteld: Bezoek Burghölzli Klinik.             

 

Tenslotte was tot ons aller genoegen ook een bezoek ingelast aan het C.G.Jung Instituut in Küssnacht, gevestigd op schootsafstand van het donderdag bezochte geboortehuis van Jung. We werden ontvangen door dr. Wolf-Jürgen Cramm, programmadirecteur. De geschiedenis van het Jung Instituut, de opleidingsmogelijkheden, het landhuis, de bibliotheek en de tuin werden voor ons toegankelijk. Zie voor een impressie de bijdrage van Michael Minnema getiteld: Bezoek C.G.Jung Instituut.

 

Zoals gezegd, de hele week genoten we van heerlijk nazomer weer en toen brak J-Day aan: het lang naar uitgekeken bezoek aan de torens van Jung en von Franz in Bollingen. Het was koud en het regende!!! Iedereen was het er zeker achteraf over eens dat het een extra verdiepende beleving gaf aan onze bezoeken op zaterdag: het had niet anders moeten zijn! We werden hartelijk ontvangen in Jung’s buitenhuis in Bollingen door twee kleinzonen van Jung: Hans en Joost Hoerni. De feminine ronde stenen toren grenzend aan het meer met  een duidelijk masculine uitstraling zodra je de Toren binnenstapt, grof plaveisel en veel gereedschappen her en der. In het midden een grote achthoekige tafel. Het was er kil tot koud, de enige openhaard was buiten in de loggia. Dit alles in absolute tegenstelling tot de Toren van von Franz. Zie voor een impressie de bijdrage van Klaas Laan getiteld: Impressie C.G.Jungs toren in Bollingen; het heiligdom van Philemon, Fausts plaats van boetdoening.

 

Na de lunch in het dichtstbijzijnde dorpje reden we door naar de hoger gelegen toren van Marie-Louise von Franz een eindje verderop, meer het binnenland in. Wat het eerste opviel was de masculine vierkante toren, met van binnen een feminine uitstraling, een gezellige warme inrichting met brandende openhaard: heel behaaglijk. We werden gastvrij ontvangen door Gotthilf (Godi) Isler die samen met zijn drie jaar geleden overleden vrouw , sinds het overlijden van von Franz in 1998, zomers in dit huis  heeft gewoond. In de behaaglijke en gezellige woonruimte zaten we in een kring en luisterden naar de warme verhalen van Godi en de bedachtzame antwoorden op de door ons gestelde vragen. We hingen als het ware aan zijn lippen. We mochten overal kijken zelfs op de bovenverdieping, dit weer in tegenstelling tot de toren van Jung. Zie voor een impressie de bijdrage van Wouter Welling getiteld: Architectuur voor de binnenwereld.

 

We hebben het bezoek aan de twee Torens ervaren als een voorrecht daar beide Torens nog door de respectievelijke families gebruikt worden, zij het als vakantiehuis. Zie vooral tenslotte ook de impressie in poëzie vorm van Victoria Field getiteld: Pilgrimage.

 

‘s Avonds het slotdiner, want de volgende morgen (zondag) vervolgden de meesten van ons hun reis vervolgen naar andere bestemmingen en/of naar huis. Plannen werden nog wel gesmeed voor bezoeken in de omgeving, zoals de Fraumünster Kirche in Zürich bekend om de ramen/glazen van Marc Chagall. Wat later zeer de moeite waard bleek! Namens alle 20 deelnemers aan deze Jungreis 2018 in het kader van ons zevende lustrum en in navolging van de 4-daagse Jungreis die 10 jaar geleden door 29 leden van onze vereniging per bus werd gemaakt, bedankte Johan en ik onze “reisleider” Henk Masselink. We hebben van deze reis genoten, het was goed georganiseerd en waar nodig creatief aangepast. We spraken af door middel van diverse bijdragen voor de website en het verenigingsblad, onze impressies te delen voorzien van enkele foto’s. Een groot voordeel daarbij was dat Johan van den Bos met behulp van de ict kennis van Evert Mouw alle inleiders op MP3 heeft vastgelegd en die als onvergetelijke herinnering keer op keer weer zijn terug te luisteren. Op de wijze waarop Henk elke inleider tijdens de afgelopen dagen bedankte, met een goed gevulde mand voorzien van Hollandse waren verstopt in een opvallend plastic tasje, boden ook wij Henk naast mooie woorden eveneens een blijde mand aan gebaseerd op de 4 elementen. Water, werd een fles water; Lucht werd Grappa als geestverruimend vocht; Vuur werd ingevuld door Jung/Emma lucifers en chocolade voor passievolle momenten; tenslotte Aarde werd een boek over het Haus C.G.Jung, dat door allen was voorzien van een dankwoordje. Dank  je Henk en alle enthousiaste (mede) deelnemers; met elkaar hebben we onze reis onvergetelijk gemaakt. Toen begonnen we aan onze laatste gezamenlijke eenvoudige doch voedzame maaltijd!

 

Een rode zon

Een stille See

De nevels in de morgen

Een vogel neemt de zomer over

De toekomst ligt verborgen

Stilte voor de najaarsstormen

Afscheid van de groene bomen

Heimwee en een nieuw begin

De Jungreis 2018 ten einde

Mediterend naar huis zien te komen

 

(vrij naar Paul van Vliet uit brieven aan God en anderen, 2018)

Eduard Heyning:

Der verborgene Geist von Eranos

 

Op de stralende morgen van dinsdag 23 oktober 2018 bezochten twintig leden van de C.G. Jung Vereniging Nederland – I.V.A.P. de locatie van de Eranos conferenties in Moscia bij Ascona, aan de Zwitserse oever van Lago Maggiore. Carl Jung bezocht de conferenties vanaf de start in 1933 tot aan 1952, en was vaak het middelpunt van de belangstelling. De conferenties vonden plaats in het huis van, en werden georganiseerd door Olga Fröbe-Kapteyn (1881-1962), een bijzonder markante vrouw met wie Carl Jung het uitstekend kon vinden. Olga Fröbe zette haar plan om de ratio esoterisch te verrijken door ondanks tegenwerking, oorlog en geldgebrek. Het animo was groot: naast Carl Jung spraken Heinrich Zimmer, Karl Kerényi, Mircea Eliade, Erich Neumann, Alfons Rosenberg, Gilles Quispel, Gershom Scholem, Henry Corbin, Adolf Portmann, Erwin Schrödinger, Gerardus van der Leeuw, Marie-Louise von Franz, Aniela Jafé, Laurens van der Post, James Hillman, Joseph Campbell en honderden anderen. De thematiek van de beginjaren was, op voorstel van Jung, ‘Oost en West’: Yoga und Meditation im Osten und im Westen; Ostwestliche Symbolik und Seelenführung; Gestaltung der Erlösungsidee in Ost und West, etc. Later verschoof de thematiek richting de klassieke oudheid. ἔρανος is oudgrieks voor een maaltijd waar iedereen iets meebrengt.De conferenties bestaan nog steeds, maar staan in de schaduw van het verleden.

 

Maar eerst iets over ons bezoek. De rondleiding voerde de groep Jungianen langs de twee huizen waar de conferenties plaatsvonden: de Casa Eranos waar de lezingen werden gegeven en de Casa Gabriella waar de sprekers logeerden. De opzet van de conferenties was gericht op een maximale interactie tussen de sprekers, die samen dineerden aan een ronde tafel, en het gehoor was eigenlijk bijzaak. Gisela Binda, de locatie manager, deelde haar persoonlijke herinneringen met ons, en daarmee kwam de plaats tot leven. Om ons heen voelden we de aanwezigheid van Jung, von Franz, de vele andere pioniers, en ook de geest van het oord, die volgens Jung en Olga Fröbe de drijvende kracht achter de conferenties was. Aan deze geest is een kleine stele gewijd, gemaakt door de beeldhouwer Paul Speck, met de inscriptie genio loci ignoto, ‘voor de onbekende geest van de plaats’. Gisela Binda kon zelf deze sterke spirituele aanwezigheid van ‘der verborgene Geist von Eranos’ nog steeds voelen. Zij noemde Eranos een ‘Kraftort’. Ook sommige aanwezige Jungianen bespeuren deze kracht. Het kwam volgens Gisela Binda regelmatig voor dat bezoekers van de conferentie deze kracht niet verdroegen; mannen vertrokken en vrouwen werden ziek. Het is dit irrationele element van Eranos dat bij ons bezoek duidelijk naar voren komt, iets dat niet zo gemakkelijk uit boeken of websites te proeven is. Voor mijn afscheid als bestuurslid kreeg ik van de vereniging het boek Eranos: An Alternative Intellectual History of the Twentieth Century door Hans Thomas Hakl, en daarom bood ik aan om de ‘genius loci’ van Eranos te bespreken.

 

Een ‘genius loci’ was in de antieke heidense Romeinse godsdienst een beschermende geest van een plaats, bouwwerk of kruispunt. Genii waren ouder dan de goden van het Grieks-Romeinse pantheon, en hadden een psychische en fysieke aanwezigheid. Ze werden ook wel aangeduid met de termen daimon of numen. In Azië worden dit soort geesten nog steeds alom vereerd. Vaak overleefden de Romeinse genii de kerstening, en het wereldbeeld van de middeleeuwen was vervuld van deze ‘aanwezigheden’. Er was zeker een bijzondere sfeer aanwezig in de streek, zoals blijkt uit de geschiedenis van Monte Verità, een paar kilometer van Eranos. Olga Fröbe streek neer in Moscia vanwege de aantrekkingskracht van de Monte Verità, maar nam afstand van haar ‘communistische’ gemeenschap. Wel verbleven vele Eranos gasten gratis in het hotel van baron von der Heydt op de Monte. Oost en West speelde ook een belangrijke rol in het leven van Monte Verità pioniers; Gusto Gräser vertaalde de Tao Te King in 1918 al in het Duits. In ieder geval was de streek al ‘magisch’ voor de start van de Eranos conferenties. En misschien speelt het feit dat Ascona op een tektonische breuklijn ligt en daardoor aardmagnetisch instabiel is ook een rol, wie weet. Dat Carl Jung de geest van Eranos serieus nam hoeft ons ook niet te verbazen. Zijn autobiografie en het Rode Boek getuigen van vele parapsychologische verschijnselen, en de Toren in Bollingen mag men wel beschouwen als de woning van Philemon, compleet met ronde tafel. Misschien leeft hij er nog! Het lijkt mij dat de spirituele band van Olga Fröbe met Carl Jung de geest van Eranos heeft doen ontwaken. Olga Fröbe omschreef deze geest als iets buitengewoon krachtigs, levend en scheppend, verbonden met de Queeste, het Zelf en de Weg van de Ziel; ondefinieerbaar, paradoxaal en irrationeel. Veel sprekers hebben dat onderschreven.

 

Na de dood van Jung en Fröbe leefde Eranos voort onder de dagelijkse leiding van de Nederlander Rudolf Ritsema. Maar wat in de 30er jaren uniek was, deed weinig opzien meer baren in 70er jaren. Eranos werd hoe langer hoe meer een wat vrijblijvende academische discussie. In 1988 barste de bom toen Ritsema eigengereid een punt zette achter de conferenties en een nieuwe serie ‘workshops’ voor achttien deelnemers startte rond de I Tjing als ontmoeting tussen Oost en West, om zo terug te keren naar de oorspronkelijke opzet van Eranos. Was dit in de geest van Eranos? Het oude Eranos kende maar weinig authentieke Oosterse inbreng, de belangrijkste waren de Japanners Deisetz T. Suzuki (1953-1954) en Toshihiko Izutsu (1967-1982). Suzuki wist Zen Boeddhisme te koppelen aan Meister Eckhart’s mystiek en Izutsu had met zijn fenomenale kennis van Oost en West een sterke invloed op James Hillman. Carl Jung had altijd een grote interesse voor de Oost, in het bijzonder voor de I Tjing. In zijn boek Mysterium Coniunctionis vergelijkt Carl Jung het alchemistische opus met de unio mystica, het Tao, samadhi en satori in Zen. Maar Jung zag de Oost altijd als inspiratie, en nooit als voorbeeld. Ging Ritsema in de fout door de opzet van Eranos al te letterlijk op te vatten? Vele beschuldigende vingers wijzen naar Ritsema, inclusief die van Gisela Binda. Een storm van protest leidde in 1988 tot de opzet van parallel gehouden Eranos conferenties op de Monte Verità. De thematiek zou Eros als verenigende kracht moeten worden, maar het kostte de ‘Vrienden van Eranos’ grote moeite om voldoende diepgang te vinden. Beide initiatieven kwamen in financiële en organisatorische moeilijkheden, en verloren hun glans.

 

Naar mijn mening verloor de verborgen geest van Eranos met het heengaan van Jung en Fröbe veel van zijn levenskracht, en was het een kwestie van tijd dat de conferenties zouden afzakken. Was de verborgen geest van Eranos gebonden aan de Oosterse wijsheid? Het leek mij passend om deze vraag voor te leggen aan de I Tjing zelf. Mijn editie van Richard Wilhelm gaf als antwoord: 22, de Bekoorlijkheid, het vuur onder de berg (met begin negen): ‘de wijze mens waagt het niet op deze manier grote strijdvragen te beslissen’. Het antwoord lijkt mij: nee, Oosters inzicht is mooi, maar wat ontbreekt is het spiegelbeeld: 21, het Doorbijten, de Westerse wilskracht. De geest van Eranos is geworteld in Europese aarde, water, lucht en vuur. Aan het eind van het bezoek verschijnt Evert Mouw met een frisse kop, in het Lago gedoken! Dat is de geest van Eranos: eerst denken, maar dan doen. Op naar de volgende top!

 

Eefke van der Drift en Arno Roelofs: 

Monte Verità – Ascona’s Mountain of Truth

 

‘Die alles bewegende – wirkende, Natur-Weisheit – ist nicht Menschen – Verstand –‘

Monte Verità, de Berg van de Waarheid. In een pre-hippietijdperk werden hier de kiemen gezaaid van een leven terug naar de natuur. Een vegetarisch nudistenkamp hoog boven op een berg met een droomblik op  Lago Maggiore…

 

Na ons inspirerende bezoek aan Casa Eranos en Casa Gabriëlla bestegen wij – per taxi! – deze berg en genoten buiten op het terras van het hoofdgebouw Casa Centrale, in de stralende zon van een verrukkelijke driegangenlunch. Speciaal voor de ‘C.G. Jung Verein Niederlande’ samengesteld, bestaande uit een groene salade met walnoten en champignons, cannelloni met ricotta en spinazie, en als klap op de vuurpijl een bladerdeeg-feestje met gemarineerde vijgen. Vervolgens kregen wij door gids Silke Bolema een rondleiding.

 

Twee wegen tot bezinning

In de prachtige tuinen op de heuvel waren twee paden aangelegd ter bezinning. Een slangen-pad en een thee-pad. Voor het centrale gebouw was een groene weide met daarin een golvend pad in de vorm van een slang gemaakt van allerlei gekleurde tegels, de kop bestond uit een veelkleurige mozaïek Mandala. Iets verderop was een Japanse theetuin gebouwd met een pad welke de bezoeker meeneemt langs de verschillende stadia van de theecultuur, voordat het in het theehuis geschonken wordt. Door dit pad bewust te lopen kan de bezoeker zich helemaal focussen op de wereld van het bereiden en drinken van de thee. Onze ervaring was vooral  het geluid van de honderden bijen die van bloem tot bloem vlogen en een heerlijk warm gezoem voortbrachten, dat vermengd met de theelucht bracht ons al in de opperste thee-ervaring, en dan hebben we niet eens een kopje gedronken, wat we achteraf wel jammer vonden.

 

De geschiedens van Monte Veritá

Deze plek, Monte Verità, genoemd naar de berg boven Ascona waarop het ligt, was een gemeenschap en een toevluchtsoord voor wereldverbeteraars, kunstenaars, theosofen en anarchisten. Gesticht rond 1900 vanuit de wens om hier een paradijs op aarde te creëren, waarbij korte werkdagen, spelen, waarheid, en de vrijheid van denken en handelen, hoog in het vaandel stonden: naakt-licht-lucht. Het vrije leven en de vrije liefde! Jung logeerde in het Monte Verità Hotel van 1933 tot 1939, wanneer hij in de zomer de tiendaagse Eranos-Tagungen van Olga Fröbe-Kapteyn bijwoonde, samen met andere leden van de groep, onder wie Emma Jung, Toni Wolff en Barbara Hannah. Olga Fröbe bracht haar gasten de eerste jaren van “de Tagungen” onder in dit hotel. Ze had Monte Verità leren kennen toen ze er in 1924 een conferentie bijwoonde van Martin Buber met als thema “Tao-te-Ching”, een taoïstisch wijsheid boek van Laozi. Monte Verità – Berg van de Waarheid – de Naakte Waarheid. Foto’s laten zien dat mensen zich vrij wilden bewegen, naakt dansen en tuinieren waren aan de orde van de dag. De emancipatie en flowerpower waren nog niet zo ver gevorderd dat dit ook seksegemengd gebeurde – mannen en vrouwen werden gescheiden en het was streng verboden te ‘gluren’ naar het andere geslacht! In ieder geval kwamen groepen mensen massaal op de berg af om hun dromen te beleven. Helen en geheeld worden. De hele omgeving is begeesterd geweest door mensen die hun dromen wilden beleven en niet meer terug wilden keren naar de geciviliseerde maatschappij. Hierdoor werd Monte Verità ook wel vergeleken met de Bermuda driehoek! Het was de tijd van het Belle Epoque, een tijd waarin uit de gezaaide kiemen, nieuwe initiatieven en manieren van leven ontsprongen; Een Tijdgeest die aan de wortels lag van de latere hippiecultuur uit de jaren ’70. Mensen waren anti-kapitalistisch, werden weg van het geld getrokken. Het werd beschouwd als voedingsbodem voor andersdenkenden, mensen die terug wilden naar de natuur. Dit strookte met de visie van Jung die stelde dat de mens te eenzijdig ging leven en behoefte had aan een nieuw elan, een betekenisvolheid en zingeving in het leven. Zijn idee dat de mens dit alleen kan vinden door contact te maken met hun eigen natuur, hun onbewuste deel, komt overeen met de behoefte die deze gemeenschap op Monte Verità vertegenwoordigde, het teruggaan naar je wortels, dat deel waar we vandaan komen, onze oorsprong. Veel kunstenaars vonden hun weg naar de Berg, onder wie Paul Klee, Alexej von Jawlensky, Paul Arp en de Dadaïsten uit Zürich. Ook de Zwitserse schrijver Hermann Hesse vond zijn weg naar de Berg. Hij kwam tweemaal, in 1905 en 1911, in het sanatorium in verband met alcoholproblemen. Jung voelde zich aangetrokken door de bergen die dit gebied omringen, hij beschreef de bergen hier als iets moederlijks en omvangrijks.

 

De oprichters, onder wie Henri Oedenhoven, pianolerares Ida Hofmann, en de broers Gustav en Karl Gräser, deelden allemaal het verlangen de geciviliseerde maatschappij achter zich te laten en te leven van de ‘vruchten van de aarde’, in een radicale terugkeer naar de natuur. Ida Hofmann: ”Ik wil verhalen over het leven van sommige mensen die, geboren in een conflictueuze werkelijkheid waarin intermenselijke relaties gedomineerd werden door egoïsme, luxe, uiterlijkheden en leugen, en zich bewust wordend van hun lichamelijke of spirituele ziekelijke toestand, besloten hun levens te veranderen om een meer natuurlijk en gezond bestaan te leiden”. Het oorspronkelijke hoofdgebouw, Casa Centrale, in prachtige Art Nouveau-stijl werd helaas in 1928 gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw, een rechttoe-rechtaan gebouw in pure Bauhaus-stijl…..vandaag de dag herinneren alleen de rondgewelfde trappen nog aan de tijd van weleer. Misschien was het deze verloren gegane pracht die maakte dat in een “Jung-week” met louter hoogtepunten het bezoek aan deze Berg van de Waarheid voor ondergetekenden weliswaar een interessant tijdsbeeld schetste, maar ook niet meer dan dat. De rondleiding door onze voortreffelijke gids Silke was van hoog intellectueel niveau, maar wist ons nergens écht te raken of te ontroeren. Zij nam ons mee het terrein over. Casa Selma, een simpel gebouwd huisje, waarin één van de broers Gräser zich terugtrok… de buitenbaden en buitendouches… een origineel gebouwd zwembad, dat nu dienst doet als theater en tot slot naar Casa Anatta.

 

Casa Anatta

In Casa Anatta is thans het museum gevestigd, dat de hele geschiedenis van Monte Verità toont vanaf ongeveer 1890. Hoogtepunt hier was voor ons een film met daarin originele beelden van Jung en Olga Fröbe in Casa Eranos. De laatste ruimte was voor ons buitengewoon interessant, een echte ‘Jung-kamer’, met foto’s van Jung, Olga Fröbe, brieven van Jung en Hesse, en meditatie mandala-schilderingen van Alice Bailey. Hier in deze ruimte werd aandacht besteed aan de Theosofie met foto’s van mevrouw Blavatsky die “De Geheime Leer” heeft geschreven en daarmee de oprichter van de Theosofische beweging was. Er hangt ook een foto van Alice Bailey waar Olga Fröbe in eerste instantie mee bevriend was. Alice Bailey heeft een groot aantal boeken op haar naam staan die voortborduren op “De Geheime leer”. Zij heeft deze boeken naar haar zeggen van dezelfde leraar doorgekregen die ook Blavatsky inspireerde. Hij noemde zich “de Tibetaan”. Deze leer werd Esoterie genoemd, en beschouwd als de oeroude leer van de Meesters van Wijsheid, een groep van ver geëvolueerde mensen die zich duizenden jaren lang hebben teruggetrokken in o.a. het Himalaya, maar die thans hun leer en zichzelf naar buiten brengen. Deze boeken handelen over het bestaan van de Ziel en zijn in die mate alchemistisch omdat zij ook het bestaan van een onsterfelijke Ziel erkennen, die in de materie min of meer opgesloten zit. Het doel van de evolutie zou zijn het bewust worden van die ziel, door middel van meditatie en liefde voor de medemens. Op deze manier zal ons fysieke lichaam een steeds hogere trilling krijgen waardoor het gaat resoneren met zijn hogere deel, de onsterfelijke Ziel. Jung had niets met de Esoterie omdat hij meende dat de mens niet ontwikkelde door naar het licht te gaan, maar juist via het donkere, zijn schaduw. Desondanks bewonderde hij Olga Fröbe om haar spirituele aspiraties. 

Aan het slot van ons zeer uitgebreide bezoek wilde iemand van onze groep – we noemen geen namen hoor Manfred – Casa Anatta via een boven-uitgang verlaten en liet daarmee het brandalarm afgaan.

Johan van den Bos: 

De Psychologische Club

 

De verkeersdrukte in Zürich is hevig, geheel overeenkomstig de waarschuwing van Henk en Ursula. Wij, Hugo Vlug, Mea Coppens en ondergetekende, meenden op tijd te zijn vertrokken uit onze Airbnb te Stafa, maar de klok loopt nu tegen tienen. Alleen Hugo blijft rustig en loodst ons behendig tussen toevallig opgevallen gaatjes in het drukke verkeer van Zürich naar de parkeergarage. Ons links en rechts informerend en oriënterend komen we ‘maar’ tien minuten te laat aan in de Gemeinde Strasse 27. Stilletjes schuiven we aan. Dit is duidelijk de kamer waar de lezingen plaats vonden. Het is aangenaam warm, comfortabele stoelen, een lichte houten lambrisering met daarboven  enkele originele werken van de oude meester. We krijgen het Gästebuch aangereikt om ons bezoek te bevestigen.

Aan het woord is de directeur van het de Psychologische Klub, dr. theol. en psychotherapeut Andreas Schweizer. Een vriendelijk man. Zijn aantekeningen, die ik later onder ogen krijg, zien er geordend uit maar hij lijkt terloops te vertellen. Soms vallen er stiltes en is hij in gedachten verzonken. Hij aarzelt, mompelt of hij het wel zal vertellen waarop het gretige publiek hem aanmoedigt dat vooral te doen. Vooruit dan maar. Voor de korte onderbreking waarin we op de begane grond mogen rondneuzen, vertelt Andreas Schweizer over Franz en Andreas Jung, de zoon- en kleinzoon van Carl Jung en Emma Marie Rauschenbach, over wat Christus voor Jung betekende, over de geschiedenis van de Psychologischer Klub, de verschillende crises en over het precaire lot van de beschaving dat in handen ligt van meest  ‘onbewuste’ mensen. Jung maakte de vergelijking van een baby spelend met dynamiet. Onbewustheid gekoppeld aan moderne wetenschap, dat was volgens hem het grote gevaar voor de toekomst. De wens om verheffing van het bewustzijn te bereiken bij voldoende mensen was dan ook een van de redenen voor de oprichting van de Psychologischer Klub.

Na de pauze komt Bollingen in zicht. Een droom van een tempel waar 600 jaar aan wordt gewerkt; Philemon & Baucis - Andreas Schweizer vertelt de mythe van Ovidius niet omdat hij veronderstelt een onwetend publiek voor zich te hebben, maar hij doet het zo graag. We komen meer te weten over het  mysterieuze Bollingen II en de droom van de veelvraat. Uit de ruim twintig verhalen is dit maar een keuze. Ik geef enkele verhalen hieronder weer. en hanteer zoveel mogelijk de verteltrant van Andreas Schweizer.

 

Ernst Bernhard, een joodse man uit Berlijn gaat in 1935 naar Jung voor analyse. Hij vertelt hem de volgende droom; “Ik ben alleen in Jungs werkkamer, hij is er nog niet. Mijn aandacht wordt getrokken door een object (ik kan niet verstaan wat het precies is) het trekt mij onweerstaanbaar aan. Ik kijk achter het object en zie Jung als primitieve medicijnman. Hij voert een ritueel uit waarbij hij spirituele en heilbrengende kracht, mana, tevoorschijn roept uit een hoek van zijn de werkkamer. Jung vraagt hem vervolgens een tekening te maken van de kamer en de hoek aan te geven van waaruit de mana stroomt. Het blijkt de hoek met het gordijntje te zijn, aan de voorkant van zijn bureau. Jung tilt het gordijntje op en Ernst aanschouwt het gelaat van Jezus; een afbeelding van de lijkwade van Turijn. Jung vertelt: “Uit deze hoek schep ik de kracht en dit is de bron voor mij.”

 

Wat Christus nog meer voor hem betekende, blijkt uit het verhaal over de Terri Lectures. In 1935 is Jung in 1935 in New York. Overdag geeft hij colleges aan de universiteit, ‘s avonds lezingen in de psychologische club aldaar. Het zijn de afscheidswoorden die hij uitsprak en welke later uit aantekeningen zijn gereconstrueerd die zijn bijzondere band met Christus weergeven. Eerst schetst hij het leven van Jezus in een bijzondere context; Hij is de zoon van een ongehuwd moeder - Andreas Schweizer versprak zich hier en zei Jung i.p.v. Jezus, hij schrok ervan - zo’n kind is met vooroordelen omgeven, het wordt als minderwaardig gezien. Een ‘normaal’ mens zou deze afkomst willen compenseren met geld en aanzien, de verschopte eenling die iemand wil zijn. Die mogelijkheid komt in de woestijn. De duivel biedt die compensatie; heerschappij over de gehele wereld. Jezus weerstaat hem en antwoordt: ”Mijn rijk is niet van deze wereld”. In dit licht zijn de woorden die hij twee jaar later aan het kruis uitspreekt, ”Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten,” bijzonder tragisch. Jung vervolgt dan: “Wij allen moeten doen wat Christus heeft gedaan, wij moeten ons eigen experiment maken, we moeten fouten maken. Wanneer we zo leven, weten we dat Christus onze broeder is en zo wordt God werkelijk mens, alleen op die manier wordt God mens in ons. Als wij ons leven zo eerlijk mogelijk leven, met alle fouten. Het laatste wat ik mijn vrienden wil zeggen is; leef je leven zo goed als je kunt, zelfs wanneer het op een vergissing berust, want het leven moet geleefd worden. Vaak bereikt men door vergissingen de waarheid. Dus wees menselijk, tracht te begrijpen, streef naar inzicht. Maak uw eigen hypothese, uw eigen levensfilosofie. Dan kunnen we de Geest herkennen die in het onbewuste van ieder individu woning heeft.”

 

Analysanten zagen in Jungs werkkamer altijd de kruisiging in de ronde glas-in-lood vensters. Kopieën van vensters uit het Klooster Königsfelden nabij Schaffhausen.  Zij herinneren aan het lijden van Christus.De vuurvlammen aan Christus’ voeten in het linkervenster vindt Andreas Schweizer intrigerend. Voor Jung was dit vuur, het vuur van de individuatie, van het uithouden van het conflict. Hangend tussen de tegenstellingen in de wereld en onszelf, moeten we dit vuur uithouden. Het is een kwellend maar ook een scheppend vuur.

 

In 1916 maakte een schenking van de filantroop Rockefeller de aanschaf van het pand aan de Gemeinde Strasse, de Psychologischer Klub mogelijk. De betrekking van het pand vond pas in 1919 plaats. De vorige bewoonster wilde niet vertrekken en heeft zelfs in een rechtszaak bepleit dat “Psychologie toch niet noodzakelijk is. ”Opmerkelijk is dat het de Nederlandse arts en naaste medewerker van Rudolf Steiner, Ita Wegman betrof. Zij was prominent lid van de Antroposofische Beweging en wilde in het pand een Steinerkliniek openen. Andreas Schweizer laat aan de hand van enkele foto’s van het interieur zien dat vrijwel niets is veranderd. Victoria Field in ons gezelschap blijkt zelfs op de stoel van Marie Louise von Franz te zitten.  

 

2006 was een kritisch jaar voor de klub. Er was achterstallig onderhoud en geld voor de renovatie was er niet. Meer dan een miljoen was nodig. Nu twijfelt Andreas Schweizer verder te vertellen maar zijn publiek dringt aan. Dan volgt zijn droom. Hij staat in een kerk - een stem zegt: “Wanneer de geest goed is, dan zal het lukken. Een professionele fundraiser aanstellen, kan niet onder jungianen.”  Een paar dagen later heeft Andreas Schweizer, dr. Godi Isler gebeld. Godi (Gotthilf) vertegenwoordigt voor Andreas Schweizer de goede geest. Hij en zijn vrouw hebben de toren van Marie Louise von Franz geërfd. Godi gaf aan geen geld te hebben maar daar ging het Andreas Schweizer niet om. “Wir brauchen der Richtigen Geist.” De volgende dag ging Godi naar Naomi Besandin, een zeer rijke vrouw.  Zij vraagt na de analyse of hij misschien geld nodig heeft… Dat was het eerste half miljoen. Naderhand vroeg Andreas Schweizer aan iemand anders, waarvan hij wist dat ze geld had, of ze bij wilde bijdragen. Ze antwoordde:”Alleen als je ook iemand anders hebt, zeg ik ja.” Ze wilde niet voor het hele bedrag verantwoordelijk zijn. 

Zo werd de laatste crisis overwonnen.

 

En het volgende verhaal alweer. Andreas Schweizer vertelt dat Jung altijd spreekt van twee miljoen oude mensen. “Je moet je bewust zijn - er zijn miljoenen jaren nodig geweest om jouw actuele bewustzijn te ontwikkelen. Je bent zo’n klein mens, maar die miljoenen jaren gaan aan jou vooraf, je staat in een ononderbroken lijn van ontwikkeling -  dat is de ware dimensie. Die zeventig tot honderd jaar op die miljoenen jaren is een druppeltje in een oceaan. Maar oceanen zouden niet bestaan zonder al die druppeltjes. Er was een Australische die in 1955 Jung bezocht. In de opwinding van de ontmoeting vergat ze haar droom. Toen heeft ze maar gevraagd wat het onderscheid was tussen haar en de tafel. Jung was niet verrast. Hij nam de vraag serieus. Hij leunde naar voren, klopte op de tafel en zei: “Wij zijn van dezelfde substantie, het onderscheid is dat ik bewustzijn heb. God heeft miljoenen jaren nodig gehad om mijn bewustzijn te creëren. Als wij weten dat iedere bewustzijnstap een verdere stap van de schepper is, heeft ons leven zin.” Dit is Jungs filosofie in een notendop.

 

Na de pauze vertelt Andreas Schweizer dat er mensen zijn die zich zorgen maken dat de psychologie van Jung zou uitsterven of dat er niet genoeg studenten naar het instituut zouden komen. Maar er komen bezoekers naar de klub van over de hele wereld, de VS, China, Japan. Laatst was er een groep Peruaanse analisten! Of hij wat over Jung wilde vertellen.

 

Dan het verhaal van Max Zeller, een vervolgde jood die uit het concentratiekamp kon komen dankzij de hulp van zijn vrouw. Ze emigreren eerst naar Engeland, later naar de VS. In Los Angeles bouwt hij met James Kirsch het Jung Instituut op. In 1947 komt hij terug naar Zwitserland voor een gesprek met Jung. Hij vraagt zich af wat voor zin zijn werk eigenlijk heeft, die 20 patiënten per week, wat bewerkstelligd hij nu helemaal mee? Ook Max vergeet zijn droom te vertellen. Terug op zijn logeeradres in Zürich stuurt hij een telegram naar Jung met de mededeling dat hij de droom is vergeten te vertellen. De volgende dag belt de secretaresse van Jung om 8.00 uur. Jung wil hem graag zien. De droom gaat als volgt; een tempel van geweldige afmetingen wordt gebouwd. Zover Max kan zien, voor, achter, links, rechts zijn er mensen die bouwen aan aan reusachtige zuilen.  Hij bouwt zelf ook een zuil. Een fundament hoeft niet te worden aangebracht want die ligt er al. Jung reageert: “Ik weet het. Mensen over de hele wereld werken aan deze tempel en weet je hoelang het duurt voordat hij klaar is?” Max vraagt hoe hij dat moet weten. Als Jung zegt dat hij dat weet, wil Max weten hoe dat kan. “Uit mijn dromen en die van mijn cliënten”, was zijn antwoord.

 

Het verhaal van de bouw van de toren volgt. Dat werk ik hier niet verder uit omdat het ook elders te lezen is. Na Emma’s dood in 1955 krijgt Jung de behoefte de andere oever van het meer te zien. Opmerkelijk genoeg was het meer na de bouw van het hof en loggia niet meer te zien. Jungs zoon Franz heeft toen een aanbouw gemaakt. De enige plaats waar men nu op het meer uitziet. Pas na de dood van zijn vrouw was hij rijp genoeg de ‘buiten-dimensie’ uit te houden; de andere zijde. Er is een volkswijsheid die zegt - wanneer je van de andere oever weet, ben je verlicht. “Zoiets is gemeend”, zegt Andreas Schweizer met nadruk.  Later, wanneer hij vertelt over de protocollen, komt hij terug op de andere oever. De protocollen zijn de dictaten voor ‘Herinneringen, Dromen en Gedachten’ genoteerd door Aniela Jaffé.

In de protocollen vertelt Jung dat hij altijd maar dromen had van een Bollingen aan de overzijde, Bollingen II. Het lag aan de andere kant van het meer, niet direct aan de oever, iets in het achterland. Er was daar een huis, een armzalig huis. Een oude boerin had de sleutel. Jung vroeg zich altijd af wat dat nou was met dat huis. Het was niet klaar en ook had hij er te weinig tijd voor. Andreas Schweizer vult aan, “Dat had natuurlijk met de Anthropos van doen, de eeuwige in ons. Die had daar gewoond.”

 

Later vertelt hij Jungs droom die hij drie dagen voor zijn dood had. Marie Louise von Franz en Barbara Hannah waren treurig toen hij de droom vertelde; zij wisten dat het betekende dat het zover was. De droom ging als volgt; “Het andere Bollingen lag in de gouden lichtglans ondergedompeld en een stem zegt dat nu alles klaar is. Vervolgens ziet Jung ver daaronder een moeder veelvraat (een marterachtige) die haar jongen in een wijde watervlakte leerde duiken en zwemmen.” Juist omdat het een landdier is, is het beeld zo sprekend; het leert de jongen zwemmen in het water. Barbara Hannah zegt in haar mooie biografie dat ze droevig was het nieuws te vernemen. Maar een moeder zorgt tenminste voor haar jongen. Hij is in goede handen is. Jung leert te zwemmen in het onbewuste. Uiteindelijk een vertroostende droom.  

 

Andreas Schweizer geeft aan dat het goed is dat we op dezelfde dag de toren van Jung en die van Marie Louise von Franz bezoeken. Jungs toren is rond, vrouwelijk; de toren van von Franz is vierkant, mannelijk. Wanneer beide torens na elkaar bezocht worden merkt men de totaal verschillende geest; de overweldigende geest bij Jung terwijl men zich in de toren van von Franz direct thuis voelt, het is er gezellig. Opmerkelijk dat de grafsteen van Jung weer vierkant is; die van von Franz rond. “In het eeuwige keert het om”, zegt Andreas Schweizer.

 

De laatste verhalen gaan over Marie Louise von Franz. Toen Jung van Marie Louise von Franz hoorde dat er land te koop was, even verder de heuvel op, raadde hij haar direct aan het te kopen. Jungs verdere raad was geen chalet maar een toren te bouwen. Daar had ze zelf niet van gedroomd, een eigen toren te bouwen. Godi Isler en zijn vrouw erfden de toren na de dood van Marie Louise.

 

Het beeld van de Russische woudmens boven het bed van Marie Louise von Franz komt ter sprake. De eerste keer dat ze in de toren sliep zag ze hem en herkende er direct een scheppende kracht in. Op de levensgrote afbeelding kijken we in zijn borst. In een holte zien we een alchemistisch conjunctio van een koning en koningin. Een gevleugelde, duidend op de geestelijke dimensie, volgens Andreas Schweizer. Het laatste jaar voor haar dood was Marie Louise von Franz nog in haar toren. Ze sliep beneden. Andreas Schweitzer studeerde toen egyptologie. Hij stuitte op een tekst uit het dodenboek en vroeg zich af wat het betekende. De vertaling luidde: “Niet de zalige doden, doch de verdoemden zullen de vernieuwing der zon aanschouwen”. Hij begreep deze  omkering niet want de verdoemden komen er in het dodenboek meestal niet goed af. Hij schreef naar Marie Louise die toen al heel ziek was. De vraag fascineerde haar - ze had nog een levendige geest.  Regine Schweizer-Vuellers, Andreas vrouw, kwam vaak bij Marie Louise. Juist toen de brief van haar man aankwam was zij ook bij haar. Vier uur lang heeft Marie Louise von Franz getracht de vraag te beantwoorden. Iedere keer als ze iets wilde zeggen, moest Regine haar ondersteunen zodat ze kon spreken. Ze was niet altijd verstaanbaar en reageerde dan geïrriteerd, maar ze hield vol. Het resultaat was een a4-kantje vol met het antwoord dat ze gegeven had. Andreas gaat niet verder op het antwoord in omdat het dan te complex wordt, maar hij kreeg na het lezen van het antwoord een droom en schreef die aan von Franz. Toen ze de brief kreeg was Regine weer bij haar en zag haar reactie: “He got it. Hij heeft me begrepen! Nu heb ik hem een bot gegeven waar hij vijftig jaar op kan kluiven.”

 

We hebben twee keer drie kwartier aan de lippen gehangen van Andreas Schweitzer, ieder woord inzuigend. Het is ook zo’n vriendelijk, innemend man. Maar nu is het tijd voor afscheid. We gaan naar Küssnacht, naar de Seestrasse 228 dat nu het Haus C. G. Jung Museum heet. Niet echt een straf. Het boek Bausteine: Reflexionen zur Psychologie von C.G. Jung vindt nog gretig aftrek, en Andreas moet verschillende exemplaren tekenen. Dan nemen we hartelijk afscheid de stralende dag in. 

Hugo Vlug: 

Huis van Jung te Küsnacht

 

Het eerste wat me opvalt als we de toegangslaan oplopen van het familiehuis van Carl en Emma Jung is de prominente toren aan de middenvoorkant van de lichtgele villa. De ronde toren strekt zich uit boven tot boven het dak, alle verdiepingen met elkaar verbindend en prikt met een elegant puntje de hemel in. Voor we naar binnen gaan, zie ik de statige deur, die ik herken van de cover van mijn editie van ‘Herinneringen, Dromen. Gedachten’. We naderen de ingang. Een aantal van onze groep is al binnen. Ik sta stil. Daar staat de beroemde inscriptie, dezelfde die we later ook tegenkomen op de familiegrafsteen en nog later naast de ingang van het torencomplex in Bollingen: VOCATUS ATQUE NON VOCATUS DEUS ADERIT (‘Aangeroepen en niet aangeroepen, God zal aanwezig zijn’). Jung plaatste deze spreuk van het orakel van Delphi boven de deur om, zoals hij later zei, zijn patiënten en hemzelf te herinneren aan: Timor Dei Initium Sapiente  (‘De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid’). Met andere woorden: Ja, God zal ter plekke zijn, maar in welke vorm en met welke bedoeling? Later zal Marie-Louise von Franz over deze spreuk boven de deur zeggen: “Het hangt puur van onszelf af of dit komen van de goden een gezegend bezoek wordt of een regelrechte ramp”. Zij voegde daaraan toe dat zij het als één van Jungs grootste bijdragen beschouwde, dat hij ons heeft geleerd onze deur open te houden voor de ‘onbekende gast’.

 

En daar traden wij binnen. Ook wij werden verwelkomd door, zo bleek later, een dochter van Andreas en kleindochter van Franz, Jung’s middelste kind en enige zoon. Namens haar overgrootouders Carl en Emma, van wie de portretten in de ontvangsthal hingen, heette ze ons als gasten welkom in het huis. De deur waardoor wij zojuist waren binnengekomen, zo vertelde zij, was de enige voordeur van het huis. Iedereen ging door deze zelfde deur naar binnen. Carl en Emma zelf, de kinderen, familieleden, vrienden, collega’s en dus ook de patiënten. Dit was, zeker in die tijd, zeer ongebruikelijk. Maar Jung had erop gestaan dit zo te bouwen.

 

Trede voor trede naar bovenlopend, zagen we de tekeningen, die de wordingsgeschiedenis van het huis lieten zien, beginnend bij een stadje met een middeleeuwse toren in het midden, een beeld, dat in Jungs tijd in Basel was ontstaan en later ook in Het Rode Boek zou verschijnen. In eerste instantie wilde Jung zo’n middeleeuws bouwwerk laten bouwen. Maar Emma, die vanwege haar erfenis het plan mogelijk maakte en zijn neef Ernst Fiechter, die de architect was, hadden beide hun eigen ideeën over een – voor die tijd – modern en comfortabel familiehuis. Na een aantal ontwerpen werd het uiteindelijke plan anders dan Jungs eerste tekening. maar de toren bleef en vormde het karakteristieke uiterlijk van het huis. De familie trok er op 25 mei 1909 in. Jung had enkele maanden daarvoor zijn ontslagbrief ingediend bij de directie van de Burghölzli kliniek om zich toe te leggen op zijn eigen praktijk aan huis. Om precies te zijn schreef hij deze brief op 7 maart 1909. Dankzij het speurwerk van Manfred Albersen, zagen wij deze originele brief de volgende ochtend tijdens ons bezoek aan Burgölzli met onze eigen ogen. Manfred vond deze in een lade van het bureau van zijn naamgenoot, Manfred Bleuler, die hij op uitnodiging van Kliniekdirecteur Paul Hoff om vrij rond te snuffelen, had geopend.

De fotografische vastlegging was snel gemaakt!

 

De tijd dat Carl en Emma met twee oudste dochters en Franz, die net geboren was, van Zürich naar Küsnacht verhuisden, was voor Jung enerverend. Als beginnende dertiger had hij in één van de meest vooraanstaande en innovatieve psychiatrische klinieken ter wereld naam gemaakt met zijn associatie-experiment. Zijn vriendschap met Freud was ongelofelijk inspirerend en veelbelovend. Freud bezocht Jung in september 1908 lang en intensief in Burghölzli en in maart 1909  in Wenen, waar zij over allerlei vakinhoudelijke en persoonlijk-intieme zaken hadden gesproken.

 

Met het ontwerpen en bouwen van dit huis sloeg Jung een nieuwe richting in, naar meer zelfstandigheid. Had hij in Burghölzli zich onder het gezag van Eugen Bleuler toegelegd op het monnikenwerk van wetenschappelijk onderzoek, nu wilde hij meer vanuit zijn eigen intuïtie de betekenis en werkzaamheid van de dromen en onbewuste inhouden van zijn patiënten, die vanuit heel Europa en Amerika naar Küsnacht reisden onderzoeken. Jung ontwierp hiervoor twee bijzondere ruimtes: de L-vormige bibliotheek en zijn praktijkruimte. Beide mochten we betreden. Beide waren schemerachtig, de praktijkruimte ronduit donker en klein. Deze voelde voor sommigen van onze groep beklemmend, anderen vonden het indrukwekkend. Het had inderdaad een middeleeuwse uitstraling, met de schemering en de 14e eeuwse glas in lood ramen met het lijden en sterven van Christus van het Königsfelden Kloster. Mij gaf het de indruk van het heilige der heiligen. De ruimte waar de ritus zich voltrekt. Dat werd versterkt door het verhaal van Andreas Schweitzer, dat wij ’s ochtends in de Psychologischer Klub hadden gehoord. Hij had verteld hoe Jung naar aanleiding van een droom van een patiënt de hoek van zijn gesprekskamer had aangewezen recht tegenover zijn bureau. In de droom was dat precies de hoek, die met sjamanistische krachten was geladen. Jung had de patiënt laten zien dat in deze hoek een voorhangsel hing met daarachter Christus, in de vorm van een negatief van de lijkwade van Turijn. Jung had de patIënt een sterke intuïtie toegekend en gezegd: “Aus diesem Winkel schaffe Ich die Kraft. Das ist die Quelle für mich” (‘Uit deze hoek creëer ik de kracht. Dat is de bron voor mij’). Het voorhangsel had Jung later aangebracht, omdat de aanblik van het gezicht van Christus zo’n krachtige uitwerking op hem had, dat hij anders niet kon werken. In deze zelfde ruimte zagen we de lessenaar, waarachter Jung staand zijn Rode Boek schreef en tekende.

 

Ook al was dit een rondleiding, al was het huis formeel een museum, en al waren Emma en Carl al iets meer en iets minder dan zestig jaar geleden overleden, de geest van Jung was voelbaar in deze kamer. De geest uit de diepte. Zowel Christus als Boeddha waren symbolisch present. Christus met de lijkwade en de glas-in-loodramen, Boeddha als beeld op het bureau. Beiden overwinnen als incarnaties van het ‘zelf’ de wereld. Christus als een door het lot voorbestemd slachtoffer, Boeddha vanuit een verstandelijk inzicht. Zij zijn kernsymbolen van Jung’s leven en werk. Symbolen van de weg van de individuatie, waar Jung in deze kamer zijn patiënten toe uitnodigde.

 

We vervolgden onze reis naar de eetkamer, die van een totaal andere sfeer was. Ruim, helderwitte muren met klassieke reproducties en ingebouwde glazen kabinetten, een hoog plafond en prachtige ramen met uitzicht op het meer en rococo stijlelementen. Dit ademde een meer 18e eeuwse sfeer, met in het midden een grote centrale tafel, waar gegeten werd en spelletjes gespeeld.

Aan de kop van de tafel een stok, als symbool van Jungs vaste plek. Als hij hier was, was hij hier, zo vertelde zijn achterkleindochter. Hij hield ervan om het familieleven te vieren. Mij viel wel op, dat zijn stoel het meest dichtbij de deur naar zijn werkgedeelte stond. Alsof hij ieder moment daarheen kon gaan, daar waar niemand hem mocht storen, behalve als er brand of oorlog uit was gebroken.

 

Naast de werkkamers en de eetkamer bezochten we de hal met foto’s van de familie, de later door Emma aangebouwde tuinkamer, de tuin met het vierkante tuinhuis aan het water en de steiger met het boothuis. In het boothuis was plaats voor ‘die kleine’, Jungs geliefde zeilboot, waarmee hij de wateren van het meer bevoer en vanaf 1923 zijn andere toren kon bereiken, de toren, die de in steen uitgedrukte verwerkelijking zou zijn van zijn individuatie. Tenslotte was er tijd om kaarten en boeken te kopen en de gidsen te bedanken.

Plotseling gaat een harde bel. Een lichte schok gaat door me heen. Ik vraag de achterkleindochter van Jung of dat dezelfde bel is als die haar overgrootvader hoorde toen de doden geruis maakte aan zijn voordeur en hij de Septem Sermones ad Mortuos schreef. “Ja, dat is nog dezelfde”. Ik word er even stil van. Dan vraag ik haar: “Mag ik ‘m nog een keer horen?” “Weet je het zeker?”, vraagt ze met een kleine twinkeling in haar donkerbruine ogen. “Ja”, zeg ik. Ze luidt de bel, komt naar mij terug gelopen en zegt: “Pas maar op, je weet niet of het een zegen zal zijn of...?”.

Anne-Marie van der Tuin: 

Burghölzli Klinik

 

In de vroege morgen van vrijdag 26 oktober reizen we naar het hoofdgebouw van het psychiatrischen Universitätsklinik Zürich, in de volksmond en onder Jung bedevaartgangers beter bekend als de Burghölzli kliniek. We worden hartelijk ontvangen door professor Paul Hoff, Chefarzt van de kliniek. Hij wandelt met ons door de kliniek en geeft een inleiding over de geschiedenis.

 

Hoff vertelt over groepen Jungfans uit de VS die Burghölzli komen bezoeken in de verwachting de woonvertrekken en werkkamer van Jung nog in originele staat aan te treffen en hun teleurstelling wanneer blijkt dat er nog geen theekopje uit zijn tijd te bekijken valt. Zijn eigen werkkamer is boven de hoofdingang op de eerste verdieping; een voormalig privévertrek van Eugen Bleuler en zijn familie. Jung, die van december 1900 tot april 1909, met een onderbreking in 1902 en 1903, in de kliniek werkte, woonde als Oberarzt met zijn gezin in de bij die functie horende woonvertrekken op een hogere verdieping.

 

De 'Kantonale Irrenanstalt Burghölzli' is opgericht in 1870, naar de plannen van Wilhelm Griesinger (1817-1868). In het midden van de 19e eeuw was de situatie in de psychiatrische ziekenhuizen ook in Zwitserland alarmerend slecht; vaak overbevolkt, met een gebrek aan getraind personeel en mensonterende behandelmethoden. Geestesziekten werden in die tijd vaak gezien als straf voor kwaadaardig gedrag. Dit vooroordeel hielp niet bij de beeldvorming over psychisch zieke mensen. Griesinger zette in op een humanere behandeling. Hiernaast was hij een groot voorstander van empirisch onderzoek, met name hersenonderzoek. Hij was ervan overtuigd dat de oorzaak van een geestesziekte ergens te vinden moest zijn in de hersenen.

 

Eugen Bleuler was vanaf 1898 dertig jaar lang de vijfde directeur in Burghölzli. Hij wordt gezien als de belangrijkste geneesheer directeur in de Zwitserse geschiedenis van de psychiatrie. Bleuler was een markante persoonlijkheid. Voordat hij naar Burghölzli kwam was hij twaalf jaar directeur van de psychiatrische kliniek voor onbehandelbaren in Rheinau, waar tegenwoordig de forensische tak van het psychiatrisch ziekenhuis gehuisvest is. Hij was geliefd bij zijn patiënten; praktisch ingesteld, humanitair, toegankelijk èn hij sprak het lokale dialect. Toegankelijkheid werd ook verwacht van de medewerkers die op het terrein van Burghölzli woonden en die toestemming moesten vragen wanneer ze het terrein af wilden. Bleuler was net als zijn voorganger Auguste Forel geïnteresseerd in hypnose. Hij was een tegenstander van institutionaliseren en voorstander van een zo kort mogelijk verblijf van patiënten in het ziekenhuis.

In Zürich was hij niet alleen directeur van de kliniek, maar ook rector van de universiteit. Bleuler verwierf grote bekendheid vanwege zijn pionierswerk op het terrein van de schizofrenie. Hij was het die in 1908 op een congres in de Charité in Berlijn de term introduceerde, als vervanging voor Emil Kraepelin's dementia praecox.

Bleuler omhelsde in het begin Freud's psychoanalyse. Hij moedigde studie van het onbewuste aan door psychoanalytisch onderwijs in te voeren en gebruikte zelf ook psychoanalytische technieken op zijn patiënten. De conceptualisatie van schizofrenie en psychologisch onderzoek waren sterk met elkaar verwoven. In 1911 publiceerde hij zijn boek 'Dementia praecox oder Gruppe der Schizophrenien' en schrijft in zijn voorwoord: 'Een belangrijk aspect van deze poging de concepten van psychopathologie verder te brengen en te vergroten is niets minder dan de toepassing van Freud's ideeën over dementia praecox'. Ook in 1911 kreeg Sabina Spielrein, voormalig patiënte van Bleuler en Jung èn de eerste student van Bleuler die schreef over schizofrenie, haar doctorstitel voor haar proefschrift 'Über den psychologischen Inhalt eines Falles von Schizophrenie.' Bleuler en zijn medewerkers, waaronder Jung, analyseerden hun dromen en die van patiënten in gezamenlijke sessies. Ook hun partners waren hierbij soms aanwezig.

 

Jung arriveerde in Burghölzli in december 1900. Hij had gesolliciteerd op een functie als assistent arts en was de enige kandidaat. Jung's woordassociatie testen werden door Bleuler aangemoedigd, ook omdat hij hierin mogelijkheden zag voor zijn onderzoek naar schizofrenie. Jung nam in 1909 ontslag, waarschijnlijk omdat hij zijn eigen laboratorium wilde en Bleuler hier niet in mee ging. Na zijn vertrek uit de kliniek bleven de twee met elkaar in contact.

 

De oprichting van de Burghölzli kliniek wordt gezien als de start van de moderne Zwitserse psychiatrie. De kliniek is naast genoemde Griesenger, Bleuler, Jung en Spielrein, ook verbonden met andere bekende namen in de psychiatrie zoals Auguste Forel, Karl Abraham, Adolf Meyer, Ludwig Binswanger, Eugene Minkowski, Hermann Rorschach en Manfred Bleuler. Op Burghölzli zijn door de tijd heen veel positieve moderne vernieuwingen ingevoerd. Zoals hypnotherapie, arbeidstherapie, de afschaffing van dwangbuizen, de introductie van psychofarmaca, en de uitbreidingen naar kinder,- en jeugdpsychiatrie, poliklinisch werk, sociaal psychiatrisch werk en ouderenpsychiatrie. Er zijn ook bedenkelijke gebeurtenissen in de geschiedenis van de kliniek te onderscheiden, zoals de belangstelling voor de eugenetica van de nazipsychologie in de aanloop naar WOII en de behandeling van homosexualiteit tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Hoff benadrukt dat het belangrijk is ook over negatieve historische feiten te spreken en deze zeker niet uit te vlakken.

 

Het zogenoemde gekkenhuis kreeg de naam Burghölzli, omdat het gebouw eerst was gepland op een heuvel met die naam. Van dit plan werd afgezien omdat de politiek vond dat deze te dicht op de stad lag. Dit werd als ongewenst gezien; 'de arme zieken hebben afstand van de stad nodig, anders worden ze nog nerveuzer dan ze al zijn…'. In plaats hiervan werd het grote, statige gebouw neergezet op een groene weide, volledig omringt door een muur van ruim vier meter hoog. Elk raam in het gebouw had tralies. Tegenwoordig ligt het academisch psychiatrisch ziekenhuis middenin de stad. De muur is in 1967 afgebroken en de tralies zijn recentelijk vervangen door vrijwel onbreekbaar glas. De kantonsregering besloot tien jaar geleden dat het terrein een academische campus moet worden met een breed aanbod van geneeskundige zorg. Het oorspronkelijke idee van arme zieken weggestopt in een gebouw op een groene weide is volledig losgelaten. Om de kliniek heen worden nu een kinderziekenhuis, een privékliniek en een orthopedisch ziekenhuis gebouwd. Hoff ziet deze veelzijdigheid als een positieve ontwikkeling voor de psychiatrische patiënten.

 

In de beginjaren van Burghölzli woonden er ongeveer 250 patiënten die lange tijd in de kliniek verbleven en deze als hun thuis beschouwden. De kliniek was zelfvoorzienend waarbij patiënten bij wijze van arbeidstherapie op de omringende velden werkten. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was de duur van het verblijf in de kliniek gemiddeld 16 jaar; dit is nu gemiddeld 27 dagen.

 

De kliniek is anno 2018, met 330 bedden, onderdeel van het grootste academische psychiatrische ziekenhuis van Zwitserland. In de kliniek worden jaarlijks 5000 volwassenen acuut opgenomen, waarvan een derde gedwongen. Dit ligt lastig. Hoff vertelt: 'Onze taak is een therapeutische relatie op te bouwen die gebaseerd is op vertrouwen. Het is een onmiskenbare tegenstelling zo'n relatie op te bouwen met iemand die hier helemaal niet wil zijn en niet behandeld wil worden. Maar het is de realiteit en daar moeten we het mee doen'. Binnen de kliniek is het streven zo snel mogelijk een gedwongen opname om te buigen naar een vrijwillige opname.

 

Naast de kliniek voor psychiatrie, psychotherapie en psychosomatiek voor volwassenen zijn er binnen het academisch psychiatrisch ziekenhuis Zürich nog drie andere klinieken met in totaal nog eens 230 bedden; een kliniek voor kinder,- en jeugdpsychiatrie, een kliniek voor geriatrische psychiatrie en een kliniek voor forensische psychiatrie. De zorg richt zich primair op mensen met psychische problemen in Zürich en omgeving. Naast de behandelingen voor opgenomen patiënten zijn er dagbehandelingen, ambulante zorg en specialistische zorg. De ongeveer 2000 medewerkers werken vanuit een integratieve biopsychosociale behandelingsbenadering in interdisciplinaire behandelteams. Het academisch psychiatrisch ziekenhuis biedt hiernaast een breed opleidingsaanbod met een internationale oriëntatie.

 

Aanvullend gebruikte bronnen:

Falzeder, E. (2015). Psychoanalytic filiations: mapping the psychoanalytic movement. London: Karnac Books.

Graf-Nold, A. (2001). The Zürich School of Psychiatry in theory and practice. Sabina Spielrein's treatment at the Burghölzli Clinic in Zürich. Journal of Analytical Psychology, 46, 73-104.

Website Psychiatrische Universitätsklinik Zürich: www.pukzh.ch

Michael Minnema: 

C. G. Jung Instituut Küsnacht

 

Op vrijdag 26 oktober rond het middaguur bezochten wij het C. G. Jung Instituut te Küsnacht. Het is gevestigd in een traditioneel landhuis, Seehof genaamd, prachtig gelegen aan de oever van het meer van Zürich op hemelsbreed slechts 600 meter van het woonhuis van C. G. Jung. Ten westen ervan is een idyllische rozentuin aangelegd, als een uitnodiging tot het Mysterium Coniunctionis. We werden hartelijk rondgeleid door Herr Dr. Wolf-Jürgen Cramm, directeur van het studieprogramma.

 

Het huis

Het oudste deel van het huis, te weten de huidige Kelderzaal, dateert uit de 14de eeuw. Het was toen een kleine boerderij, die hoorde bij het klooster van Einsiedeln (aan de Sihlsee, ten zuiden van het meer van Zürich). Het is in fasen uitgebreid in de richting van het meer, waarbij het geleidelijk de allure van een landhuis kreeg. In 1629 werd het huis verworven door de familie Lochmann, een geslacht van adellijke militairen. Het huis heeft twee eeuwen een vergelijkbare functie gehad. In de 19de eeuw woonden er de idealistische pedagoog Thomas Scherr, begaan met het lot van doofstommen en blinden en arbeiderskinderen, die er een lerarenopleiding dreef; en de dichter Conrad Ferdinand Meyer. Beiden streefden binnen hun vakgebied naar modernisering, en beiden werden getroffen door fysiek en psychisch lijden. In de eerste helft van de 20ste eeuw was er een sanatorium in gevestigd. In de jaren 60 is Seehof aangekocht door de gemeente Küssnacht, en na uitvoerige restauratie aangeboden aan het C. G. Jung Instituut, die op dat moment in Zürich uit hun huisvesting gegroeid waren. Op de begane grond bevinden zich de kelderzaal en de tuinzaal, op de eerste verdieping de administratie, de keuken en de directiekamers, op de tweede verdieping de feestzaal, de prachtig gelambriseerde bibliotheek, de boekhandel en het documentatiecentrum.

 

De opleiding 

Het C. G. Jung Instituut is opgericht in 1948, op aandringen van Jungs naaste medewerkers. Tot dat moment had de Jung Klub in de Gemeidestrasse gefunctioneerd als broedplaats van analytische vaardigheden, onder het toeziend oog van Jung persoonlijk. Toen de eerste generatie analytici de wens ging uitspreken zelf anderen op te leiden – en Jung zelf ook een dagje ouder werd – werd de behoefte gevoeld aan een meer formele bedding voor dit doel. Rond dezelfde tijd is de IAAP opgericht, het hoogste orgaan van de Jungiaanse beweging, dat onder andere toeziet op de kwaliteit van de opleidingen en de accreditatie. 

In de ogen van Jung bestaan de vaardigheden van een psychoanalyticus vooral uit een combinatie van een hoge mate van eigen heelwording (individuatie), een vermogen psychische belevingen symbolisch te duiden - vandaar de noodzaak van een ruime algemene ontwikkeling - en een inlevingsvermogen in de ander. Nog altijd blijkt deze instelling uit het feit dat voor toelating tot de opleiding wel een academische graad, maar geen diploma als arts of psychotherapeut vereist wordt. Deze opvatting staat wel in toenemende mate onder druk van nationale wetgevingen. In veel landen is de titel van psychotherapeut beschermd – in Duitsland ook die van psychoanalyticus – en een opleiding aan het C G Jung Instituut leidt in Nederland niet automatisch tot een recht op inschrijving in het BIG-register, en daarmee bijvoorbeeld tot de mogelijkheid van vergoeding van consulten door de overheid of door zorgverzekeraars.

 

Curriculum

Het instituut biedt opleidingen aan in twee formats, een Duitstalig, wekelijks op donderdagen en vrijdagen, gedurende een zomer- en een wintersemester; en een Engelstalig, in drie blokperioden van elk drie weken, maandag t/m zaterdag, één in de herfst, een in de winter en een in het voorjaar. In principe is het mogelijk elke opleiding in elke taal te volgen; het is zelfs mogelijk, indien gewenst, om in het Frans of in het Italiaans geëxamineerd te worden. Daarnaast is er een Franstalige “dependance” in Geneve met een eigen (kleiner) curriculum. 

-In de eerste plaats is er het Weiterbildungscurriculum Psychoanalyse International, een vierjarige opleiding met een zeker accent op persoonlijke ontplooiing (leeranalyse) en theorie. Deze opleiding staat in principe open voor allen met een academische opleiding, d.w.z. na een succesvol doorlopen proces van een aantal sollicitatiegesprekken en een geschreven motivatie. 

-dan is er het Weiterbildungscurriculum Analytische Psychotherapie (eidgenössisch anerkannt). Deze opleiding staat open voor artsen en psychologen, is van een vergelijkbare zwaarte, maar legt in verhouding meer de nadruk op de psychotherapeutische praktijk. 

Deze twee opleidingen bestaan in principe uit:

-theorie (colleges en werkgroepen)

-leeranalyse

-klinische ervaring (stages)

-eigen ervaring met cliënten en supervisie daarop

De kosten van de opleiding worden door het instituut (voorzichtig) begroot op SFR 80.000,- Dat is exclusief reis- en verblijfskosten.

-voorts is er de Allgemeine Fortbildung, duur 2 semesters, en toegankelijk voor elle geïnteresseerden. Deze wordt afgesloten met een certificaat.

-en tenslotte de CAS Analytische Psychologie, een 1 jarige opleiding/module voor mensen met een hogeschoolopleiding of een universitair bachelor diploma in een relevante (psychosociale) richting.

 

Studenten

Aan de school zijn op dit moment zo’n 120 studenten verbonden, waarvan ongeveer 40 de Duitstalige opleiding volgen (en dus zo’n 80 de Engelstalige). De motivatie en achtergrond van deze studenten varieert van zuiver professioneel (psychotherapeutisch met een belangstelling voor het Jungiaanse model) tot filosofisch/spiritueel/esoterisch, twee gerichtheden die elkaar in de praktijk niet in de weg staan. Globaal kun je zeggen dat Duitstalige en jongere studenten iets meer naar het professionele neigen, filosofisch-esoterisch gerichten zijn wat meer vertegenwoordigd in de Engelstalige opleiding, en zijn gemiddeld wat ouder.

Geografisch gezien komen studenten uit de hele wereld, maar zijn er naast Zwitsers ook relatief veel Amerikanen en - misschien verrassend – Brazilianen. Zou dit te maken hebben met een lokale spiritualiteit (Candomblé), of met een verleden van (Joods-)Duitse immigratie?

 

Splitsing

In de late jaren 90 begon een decade van grote spanningen tussen een kleine fractie van het curatorium (het bestuur) enerzijds, en alle docenten en medewerkers en de rest van het curatorium anderzijds. Het was lang onmogelijk hier iets aan te doen vanwege de autoritaire structuur van de organisatie. Jung had gehoopt op deze wijze een coup door een radicale fractie te voorkomen, maar had dus buiten de waard van de directeur zelf gerekend. Zodra het mogelijk was is het Jung Instituut gedemocratiseerd, maar voor een deel van de docenten was de maat al eerder vol, zij hebben toevlucht gevonden bij de AGAP, de Zwitserse beroepsvereniging van psychoanalytici, die een eigen, tot dusver ongebruikte opleidingslicentie had. Op geen moment was er dus inhoudelijk verschil van inzicht of enige animositeit tussen de fracties. Nadat bij het C G Jung instituut de oorzaak van de onwerkbaarheid was weggenomen is nog een aantal jaren geprobeerd de beide organisaties weer te laten fuseren, maar het is onmogelijk gebleken de twee beddingen, eenmaal gesplitst door een rots, weer naar elkaar te leiden. Op een gegeven moment heeft de IAAP zich erbij neergelegd, en hebben de twee organisaties – de andere heet ISAP – met instemming van allen een gelijke parallelle status gekregen. Er zijn dus geen evidente of principiële verschillen. Volgens sommigen is de sfeer in het ISAP wat meer Amerikaans en progressief, en is het Jung Instituut wat meer Duitstalig en orthodox, maar dat zijn hooguit accentverschillen.

 

Philemonis sacrum, Fausti poenitentia
Philemonis sacrum, Fausti poenitentia

Klaas Laan: 

Impressies bij C.G. Jungs toren in Bollingen

het heiligdom van Philemon, Fausts plaats van boetedoening 

 

Kil, regenachtig was het in Bollingen die zaterdagochtend, de 27e oktober 2018. Het reisgezelschap liep over een grasveld, door de poort en kwam op een kleine binnenplaats. Je liep er zomaar naar binnen, maar het kind in mij voelde schroom. Ondanks de bereidwillige ontvangst hing er een sfeer van afstand… Alsof een ernstige stem sprak: “Jij, menselijk wezen, maakt wel deel uit van dit gezelschap, maar slechts in de eenzame zielenstaat ontvang ik, Philemon, jou hier in mijn heiligdom. Het is aan jou om erin door te dringen, alleen.” Alsof je één van de doden bent, teruggekeerd uit Jeruzalem, ‘waar zij niet vonden wat zij zochten.’

We werden ontvangen door twee kleinzonen van Jung, van zijn jongste dochter Helène. Hans en Joost waren bereid al onze vragen te beantwoorden, niet eerder vertoonde foto’s gingen rond. Jung blijkt ook grond te hebben gekocht dat onder water lag, opdat hij het zou kunnen droogleggen. Daarop is de ommuurde binnenplaats naast de eerste toren gegrondvest, waar ook de loggia met het haardvuur zich bevindt. We konden vrij rondkijken op de begane grond. Het meer ernaast was bij ons bezoek aanwezig als het stille, diepe onbewuste, als een Lady of the Lake, die voor ons even de uitgehouwen symbolen, de mystieke en poëtische teksten boven water hield… onverschillig voor wie ernaar keek, er wat mee deed. Bij de rondleiding was er eerst de verrassing. Ik verwachtte een primitiever bouwsel, maar het blijkt complex geconstrueerd (wat de laatste opbouw betreft door de zoon van Jung, die architect was) en was vakkundig gemetseld samen met plaatselijke bouwvakkers. “tot op heden hebben we geen enkel scheurtje kunnen vinden”, vertrouwde Hans Hoerni ons toe. Er was door Jung gedacht aan conservering: op zijn uitdrukkelijke wens mag er niets aan de toren veranderd worden…de enige concessie is de waterpomp - aanvankelijk moest het water uit het meer geput en vervolgens gekookt worden. Elektrische verlichting en dergelijke blijven afwezig, gekookt wordt er op een haardvuur. Voor diegenen van de uitgebreide Jungfamilie die er willen verblijven, is de toren niet veel meer dan een kampeerplaats, want het karakter van sacrum en poenitentia dienen bewaard te blijven. Jung heeft over dit laatste, de poenitentia, gezegd: “…ik knoopte met mijn werk bewust aan bij datgene waaraan Faust was voorbijgegaan: het respect voor de eeuwige menselijke rechten, de waardering voor het oude en de continuïteit van de cultuur en de geestesgeschiedenis.” In Faust II van Goethe worden Philemon en Baucis - anders dan in de Metamorfosen van Ovidius - vermoord omdat hun grond moest dienen voor Fausts eerzuchtige plannen voor technische vooruitgang. Vandaar de boetedoening van Faust, waarmee Jung zich, als verre verwant van Goethe, identificeerde: de toren moest en zal soberheid blijven uitstralen.

 

Ieder van ons heeft zo zijn eigen herinnering en markeerpunten aan de toren en ik wil graag over de mijne spreken. Zo was daar de coïncidentie van de grote stenen kubus die ooit voor 1950 bij de toren werd bezorgd, terwijl Jung hem niet besteld had. Hij adopteerde deze zogezegd en transformeerde hem geleidelijk door teksten op drie zijden ervan uit te houwen. Jung zag deze steen als de uitdrukking van de genius loci ‘op zijn eenzame plek tussen het meer en de heuvel’. Wie de Briefe van Jung in bezit heeft, kan daarover lezen in de correspondentie die hij met de Amerikaanse mevrouw Oakes heeft gevoerd over de steen. Dan blijkt het wezenlijke belang van de steen voor Jung. Zo schrijft hij op 11-2-’56: ‘…Als ich den Stein meisselte, habe ich nicht gedacht. Ich formte nur das, was ich auf seiner Oberfläche sah.’ En op 3-10-’57 schrijft hij: …beachten Sie genau wie (der Stein) in seiner Umgebung steht: das Wasser, die Hügel, der Blick, die besondere Atmosphäre der Baulichkeiten, die Nächte und Tage, die Jahreszeiten, Sonne, Wind und Regen und ein Mann, der nahe der Erde lebt und in täglicher Meditation sein Wissen bewahrt, dass alles ist, wie es ist. (…) Versuchen Sie, eine Zeitlang in dieser Ganzheit zu leben, und schauen Sie, was Ihnen geschieht.’

In het bijzonder werd ik door deze tekst op de steen geraakt: ‘De tijd is een kind – spelend als een kind – een bordspel spelend – het koninkrijk van het kind. Dit is Telesforus, die door de donkere regionen van deze kosmos zwerft, en die oplicht als een ster in de diepte. Hij wijst de weg naar de poorten van de zon en naar het land der dromen.’ Treffend is hoe deze tekst gelijkt op de afsluitende preek tot de doden, wat aangeeft hoe wezenlijk deze voor Jung was. (zie Herinneringen, dromen, gedachten voor de overige teksten op de steen)

Wie de figuur van Philemon kent uit het Rode Boek en zijn gelaat op zich heeft laten inwerken, beseft dat je in deze toren niet met een koekje en een glaasje spa kan worden ontvangen. Wat dit betreft werkten de weergoden op deze zaterdag juist uitstekend mee! De geest werkt op ons in mits wij zijn voorwaarden accepteren. Soms, zoals nu, in een sfeer van melancholie, mistroostigheid. Jung vond dat hij zijn arbeid moest verrichten in associatie met het lijden (zie ook in zijn werkkamer op de Seestrasse). In Bollingen waren dit de stilte en de soberheid; niets mocht zomaar, zonder moeite, voorhanden zijn om in dagelijkse behoeften te voorzien. Voortdurend moest er ruimte zijn voor het besef van een stille aanwezigheid van dat andere, onzichtbare; wie niet afziet, ziet niets en ontwaakt zeker niet vanbinnen!

Dan ontstaan de tegenstellingen, waaruit de antwoorden oprijzen op de vragen van de doden in de preken. Daar wordt de inspiratie uitgehouwen in steen en toevertrouwd aan het papier. Als we de kleinzonen Hans en Joost moeten geloven, hou je daar in Bollingen een ongezellige grootvader aan over. Wel een denker en een mysticus, die onder geen beding gestoord mocht worden (‘waar ik ben, ben jij niet, heb je dat begrepen?’). Zoveel had Jung daar klaarblijkelijk te verwerken dat de familiaire omgang werd opgeofferd voor zijn missie: gehoorzamen aan Philemon, zijn innerlijke gids, en boete doen namens Faust om meer en meer het mysterie van Christus te ontsluieren en dit te vertalen, gereed te maken voor de transformatie van het menselijk bewustzijn. Alles was daarop gericht. Zo ontstaat de paradox, die bij sommigen van ons als een ontnuchtering werd ervaren, want de persoon Jung wint niet aan sympathie (de kleinzonen deden daar ook geen moeite voor), maar de wereld plukt er wel de vruchten van.

In de periode dat ik in 1977 in het bezit kwam van het fotoboek ‘Beelden uit mijn leven’(Lemniscaat) gebeurde er veel tegelijk in mijn leven, persoonlijk en zakelijk. Dit viel samen met het intensiveren van de innerlijke wereld en een sterke verbinding met de natuur. Tegenstellingen alom! Ik las onder meer over de wondere wereld van Findhorn en verdiepte mij ook in de persoon van Jung, zijn psychologie en zijn toren; zo’n project leek mij ook wel wat! Dat ging niet door, maar hoe Jung zijn toren een plaats gaf in zijn leven stond sindsdien symbool in het mijne voor het combineren van verinnerlijking, spiritualiteit met de medemens, de wereld. Ziedaar de voor mij bijna numineuze betekenis van het staan op die binnenplaats, in die toren, voor die kubusvormige steen… Henk, nogmaals dank dat je dit mogelijk maakte!  

We namen afscheid van Hans en Joost, die tijdens ons bezoek op steeds meer ontspannen wijze spraken over hun ervaringen met opa Carl en de familie in Bollingen… maar ook over de taak als gids die ze op zich genomen hadden (‘morgen komen er 40 Chinezen’). Vanuit het reisgezelschap is duidelijk onze erkentelijkheid uitgesproken! 

Met de levende herinnering van Jung’s toren aan het meer wil ik aanraden om de zeven preken tot de doden te lezen, maar dan vroeg in de morgen, in de tuin met een dikke wollen deken omgeslagen. Haal af en toe diep adem, sluit de ogen en word één met het werkende in al het leven, Abraxas. Visualiseer dan om naar die andere toren te gaan, bovenop de heuvel, dat bastion van gastvrijheid, waar Godi Isler je van de geest naar het hart voert, met zijn zachte stem, geen woord te veel… maar over de toren van Marie Louise von Franz heeft Wouter geschreven.     

Toren van Von Franz
Toren van Von Franz

Wouter Welling: 

Architectuur voor de binnenwereld

 

Inzicht lijkt mij een kernwoord voor het archaïsche torencomplex dat C.G. Jung in de periode 1923-1955 in Bollingen direct aan het water van het meer van Zürich bouwde voor zijn ‘Persona nr.2’. Overzicht is het woord dat past bij de in de nabije omgeving maar veel hoger gelegen toren die Marie Louise von Franz in 1958/59 liet bouwen. Beide gebouwen zijn overduidelijk uitdrukkingen van de innerlijke kern van de makers. Het eerste wordt gekenmerkt door rondingen, het tweede door het vierkant.

 

In gesprekken naar aanleiding van ons gezamenlijke bezoek aan beide torens bleek dat de indruk, de beleving van de architectuur en van de genius loci door ons gedeeld werd. Het vermaarde huis in Bollingen, dat we als een tempel betraden, werd als zwaar, koud en besloten ervaren. De toren van Von Franz, hoewel alles behalve een gemoedelijke gezinswoning, als warm en meer open. De gebouwen hebben overeenkomsten met betrekking tot de eenvoud van het interieur, het afzien van comfort, maar vormen in karakter elkaars tegenpool. Je zou ook kunnen zeggen dat ze een prachtig evenwicht bereiken van anima en animus. Jung’s Bollingen staat voor een afdaling in de oeroude sedimentlagen van de psyche, Von Franz’ toren voor contemplatie, voor kritische beschouwing van de opgediepte schatten.

 

Gastheer in Bollingen Hans Hoerni vertelde dat hij als jongen, Jung en mensen uit zijn omgeving in de ronde kamer wel eens rillend had aangetroffen om de tafel. We konden ons er alles bij voorstellen, want het was er kil en bepaald niet gemoedelijk. Toch is het gebouw met het oer-vrouwelijke verbonden – in de zin van Goethe’s beeld in Faust II van het domein waar ‘de moeders’ wonen. Jung begon er aan kort na de dood van zijn moeder en voltooide de laatste toevoeging, de tweede verdieping van het middendeel, kort na het overlijden van zijn vrouw. “Van het begin af aan was de toren een oord van rijping voor mij – een moederschoot, de moederlijke gestalte, waarin ik weer kan zijn zoals ik ben, was en zal zijn. De toren gaf me het gevoel alsof ik in steen was herboren.” (1) Het is een plek voor een leven dicht bij de natuur, een plek waar huisgeesten zich thuis voelen: “Laren en penaten zijn belangrijke psychologische figuren, die als het enigszins mogelijk is niet door teveel moderniteit mogen worden afgeschrikt”. (2) Philemonis Sacrum—Fausti Poenitentia beitelde Jung boven de toegangspoort (3): Heiligdom van Philemon – boetedoening van Faust. Deze Philemon verwijst naar de Philemon die met zijn vrouw Baucis de oude goden onderdak bood. Faust koos voor technische vooruitgang in de Faust II – dus voor de ‘onttovering’ van de wereld.

 

Gotthilf Isler is het prototype van de ‘oude, wijze man’. Nadat hij de toren van Von Franz erfde, heeft hij er jaren met zijn inmiddels overleden vrouw gewoond. Hij vertelde ons over hun leven in die sobere, maar beschuttende ruimte, een verhaal dat de warmte en harmonie van het huwelijk van de gastvrije Philemon en Baucis in herinnering roept. Terecht want op de grafsteen van zijn vrouw liet hij een eik en een lindentak graveren – de bomen waarin het echtpaar veranderde om na hun dood vervlochten te blijven. Gotthilf sprak over het leven van Von Franz en Barbara Hannah in de toren. Het was wel eens pittig tussen beiden want Von Franz had een negatief moedercomplex. Jung had haar geadviseerd met de analytica Barabara Hannah samen te wonen, een positieve compensatie van de moederfiguur (Hannah was 23 jaar ouder). Von Franz heeft met haar werk Jung vele malen ondersteund en ten slotte ook Emma Jung’s boek over de Graal na haar overlijden afgerond. Jung had zonder haar vertalingen (en die van Emma Jung) nooit zijn Mysterium Conjunctionis kunnen schrijven. De vrouwen op de achtergrond verdienen ongetwijfeld meer lof dan ze tijdens hun leven hebben ontvangen. Hun werk doet bepaald niet onder voor dat van Jung.

 

Het oeuvre van Von Franz is onafscheidelijk verbonden met de alchemie. Op een horizontaal bord boven het aanrecht hangt in de toren een reeks abstracte vormen die, naar ik begreep, Von Franz met Jung spelenderwijs maakte bij de diverse fasen van het alchemistische proces. Postuum heeft Theodor Abt in 1999 haar laatste werk, Muhammad ibn Umail’s Hall Ar-Rumuz (‘Clearing of Enigma’s’) uitgegeven, een heldere analyse van het alchemistische werk, gerelateerd aan het sufisme. Het sufisme en de alchemie concentreren beide op een innerlijke weg van transformatie. Von Franz verwees eerder al, in haar studie Alchemie als psychologisch ontwikkelingsproces, naar Ibn Umail die op dat moment in de geschiedschrijving van de chemie ‘een verwarde mysticus’ werd genoemd. (4), terwijl hij door haar als introverte alchemist werd gewaardeerd. In haar boek over alchemie gaat Von Franz in op het werk van de Zuid-Nederlandse alchemist Gerhard Dorn (ca. 1530- ca. 1584) en het individuatieproces zoals de alchemist dat visualiseerde in de veranderingen in de materie. De relatie tussen binnen- en buitenwereld, tussen interne en externe gebeurtenissen wordt door haar geraffineerd beschreven. Je voelt een patroon dat inherent aanwezig is en bijna als een vorm van divinatie kan worden gelezen: een gerundivum necessitatis, iets dat ‘moetende gebeuren’ is. Een onderwerp dat noodzakelijkerwijs voert tot voorspellen en synchroniciteit, waarover Von Franz een belangrijke studie schreef. De onderwerpen waarmee zij zich in haar toren bezighield, kennen hedendaagse – al dan niet speculatieve - varianten in de kwantumfysica en theorieën over non-dualiteit en een alles en iedereen verbindend energetisch veld. Maar ze komen ook voor bij tal van magisch-religieuze levensbeschouwingen over de hele wereld. De visies van alchemisten, mystici en sjamanen vertonen opmerkelijke overeenkomsten.

 

De toren van Von Franz biedt uitzicht over een prachtig dal en omringende bossen. Het Bollingse huis van Jung, dat aanvankelijk open was naar het meer, is door plaatsing van een muur later afgescheiden van het meer. Het is een in zichzelf gesloten burcht. Jung en Von Franz hebben elkaar wederzijds zeer gewaardeerd en geïnspireerd. Beiden bouwden naar boven: de keuze voor torens is een keuze voor het geestelijke. Zoals de kerktoren naar de hemel reikt, zo gaven Jung en Von Franz vorm aan hun spirituele streven. Als bezoekers voelden we ons prettiger in de toren van Von Franz. Bij Jung’s burcht verwacht je een luik aan te treffen dat naar gevaarlijke diepten voert. Bij Von Franz loop je de houten trap op naar boven waar je een bijna gezellige werk- en slaapkamer betreedt. Het bed biedt zicht op een schilderij van Von Franz met de voorstelling van een gehoornde groene man, een woudgeest, die uit het omliggende bos treedt en een stralende cirkel, een soort mandala, in zijn handen houdt. Op een andere wand hangt een litho van Peter Birkhäuser (1911-1976), een Zwitserse kunstenaar die zijn dromen schilderde. Hij bouwde een interessant en in de kunstwereld nauwelijks opgemerkt surrealistisch oeuvre op waarover zijn kinderen Eva Wertenschlag-Birkhäuser en Kaspar Birkhäuser in 2013 een monografie publiceerden: Der Rote Faden – Malerei und Grafik von Peter Birkhäuser. Marie-Louise von Franz, bij wie zijn vrouw in analyse was gegaan voordat zij haar eigen praktijk als therapeut begon, heeft vele dromen van Peter Birkhäuser geanalyseerd. Het werk in haar kamer is een voorstelling van de vier-ogige wereldgeest. Blijkens een tekst van Von Franz beklaagde Birkhäuser zich over het gebrek aan aandacht voor zijn werk, hij verkocht weinig. Von Franz wees hem er op dat het ook niet voor iedereen is om dergelijke zware beelden uit het onbewuste – en ze zijn dikwijls dreigend en donker – thuis aan de muur te hangen. Voor haar was dat kennelijk geen probleem, ze wist de weg in het donker. In de Psychologischer Klub in Zürich, waar Jung tal van voordrachten heeft gehouden en waar dr. Andreas Schweizer nog precies de stoel van Marie-Louise von Franz kon aanwijzen, hangt werk van Birkhäuser. Het was de eerste keer dat ik er mee werd geconfronteerd en het maakte indruk. Een katachtige figuur keek met doordringende ogen de zaal in. Elders hing een topwerk: een vreemde gebochelde komt via een ladder uit een onderaardse ruimte, in zijn rechterhand een oude lantaren. Von Franz ziet er een veronachtzaamde figuur in, we hebben ons van de ziel afgewend, maar een gebochelde brengt volgens het volksgeloof geluk, hij komt met licht.

 

In Ascona zagen we bij Casa Eranos de altaarsteen voor de genius loci. Gisela Bindi, de ‘last woman standing’ bij Eranos, vertelde dat die genius erg sterk is: mannen hielden het er niet lang uit, vrouwen werden ziek en zelf moest ze er ook wel eens dringend weg. Zou een specifieke plaats invloed kunnen hebben op het denken, het geestesleven van de mensen die er wonen? Het lijkt bij Zwitserland niet onaannemelijk: omringd door bergen, rijk aan melancholieke meren... het land heeft een sterk introverte werking. Het is bepaald niet licht en speels. Jung’s huis in Küssnacht is een oerdegelijke, traditionele villa voor een heer van stand met een ruime eetzaal en veel licht. Maar zijn behandelkamer is weer klein en donker. Omgeven door boeken keek de cliënt op naar Jung wiens forse gestalte afstak tegen de drie ramen met gebrandschilderd glas met Nieuw-Testamentische voorstellingen, de kruisiging in het midden. Tegenover Jung hing een met een velum afgedekte voorstelling van de lijkwade van Turijn, die in zijn hiëratische verschijning en met priemende blik aan Jung’s eigen Philemon doet denken. In deze kamer van kennis en inzicht ging de weg, gepleit met metaforen en symbolen,  onverbiddelijk binnenwaarts.

 

De ronde en de vierkante toren. We bezochten de graven van Jung en Von Franz. Bij zijn lezing in de Pschygologischer Klub merkte Andreas Schweizer over de vorm van de grafsteen bij de familie Jung – rechthoek – en die van Von Franz en Barbara Hannah - afgerond en voorzien van een zonnerad - op: “Also in Ewigen kehrt sich das herum.”  

 

Noten: 

1. G.Jung, red. Aniela Jaffé: Herinneringen, dromen, gedachten. Rotterdam, Lemniscaat, 1991, pp.195, 196.

2. Gerhard Wehr: C.G.Jung, een geïllustreerde biografie. Rotterdam, Lemniscaat, 1993, p.71.

3. En later boven de ingang bij de tweede toren. Aniela Jaffé: Jung, Beelden uit mijn leven. Rotterdam, Lemniscaat, 1977, p.188.

4. Marie Louise von Franz: Alchemie als psychologisch ontwikkelingsproces. Rotterdam, Lemniscaat, 1983, p.21.

Victoria Field:

 

Pilgrimage

 

silence falls with the grey veil of the rain

as we open a wired gate

walk reverent through wet grass to the shore

 

a cormorant curves like an eyelash

the wide eye of the lake blinks and breaks

so many surfaces and thresholds

 

we’re ushered into the intimacy

of a kitchen, stacked pots and plates

smell the stone, circles and centripetal forces

 

the curled driftwood he collected, once tree, once rooted

hangs on a thread in the murky air

for a second I feel the thrill of its acquisition

 

the rain never relents as we process

around the square stone, read aloud his chosen words

trace the carvings worked by his hands

 

nothing’s changed, say his grandsons

the playing children he once hushed now elderly men

logs are piled high in the woodshed, carefully labelled by year

 

the pear tree sheds its leaves, readying for the year’s night

in the loggia, we listen to memories

already fading, like the photographs we’re shown

 

we huddle close in this space both inside and out

above, spiders’ webs, a ceiling bright with painted dice

below, our coming here, broken wood, ash, the fire’s waning light

 

  

page loading